Duits-Nederlandse betrekkingen (2 lesuren)

Thematisch ontwerp

De leerlingen behandelen de geschiedenis van de Duits-Nederlandse relatie sinds het einde van de Tweede Wereldoorlog. Met behulp van teksten werken zij in groepjes uit, welke gebeurtenissen de relatie zowel positief als negatief hebben beïnvloed, hoe met name Nederlanders Duitsland hebben gezien in de afgelopen decennia en gaan aan de slag met enquêteresultaten.
Opmerking: Het nogal eenzijdige beeld van de relatie (Nederlandse kijk op Duitsland) vloeit voort uit de gegevens- en onderzoeksbasis over dit onderwerp.

De tekst Nachbarn zwischen Nähe und Distanz Niederländische Deutschlandbilder seit 1945 van Friso Wielenga en Jacco Pekelder, die is ingekort, aangepast en vereenvoudigd, dient als basis voor deze opdracht. Daarnaast is de tekst opgedeeld in zes losse teksten, zodat elke groep een op hun onderwerp toegespitste tekst als uitgangspunt kan nemen.

De opdrachten kunnen in principe zowel bij vakonderwijs als bij onderwijs in vreemde talen worden gebruikt. Aangezien de basistekst echter een veeleisende, wetenschappelijke tekst is die weliswaar deels vereenvoudigd is, dient de docent vooraf zeker na te gaan of de kennis in vreemde talen van de leerlingen voldoende is. Indien dit niet het geval is, zijn de teksten ook in de moedertaal beschikbaar.

Opdracht 2 bouwt voort op de resultaten van opdracht 1 en kan daarom niet als een enkele opdracht worden uitgevoerd. Opdracht 1 kan echter onafhankelijk van opdracht 2 worden uitgevoerd. Vervolgens moeten de resultaten van het groepswerk nog wel besproken worden. Voor het uitvoeren hiervan moet de docent zelf een oplossing vinden.

Opdracht 3 bouwt voort op opdracht 2. In deze opdracht vergelijken leerlingen de gebeurtenissen die de Duits-Nederlandse relatie in de afgelopen decennia hebben beïnvloed met behulp van de tabel die zij bij opdracht 2 hebben ingevuld.

De leerlingen...

  • kunnen factoren benoemen die internationale betrekkingen kunnen beïnvloeden.
  • benoemen en vergelijken concrete gebeurtenissen die de Duits-Nederlandse betrekkingen hebben beïnvloed.
  • vatten de ontwikkeling van de Duits-Nederlandse betrekkingen na de Tweede Wereldoorlog samen.
  • kunnen enquêtes evalueren.
  • kunnen bepaalde informatie van een tekst navertellen.
  • vergelijken overeenkomsten en verschillen van historische feiten.

1. Voorbereiding
geen
 

2. Introductie
Leerdoelen:

  • De leerlingen kunnen factoren benoemen die internationale betrekkingen kunnen beïnvloeden.
     

Instructie docent:

De docent werkt bovenstaand leerdoel uit door het stellen van vragen zoals:

  • Wat kan volgens jullie de relatie tussen twee landen zowel positief als negatief beïnvloeden?
  • Welke van deze benoemde aspecten spelen met name in de Duits-Ned. relatie een rol? Welke eerder minder?

Mogelijke antwoorden:
algemeen: wisseling van regering, samenwerking/allianties met andere landen, economische veranderingen zoals invoering van bepaalde belastingen, staatsbezoeken, etc.
Duits-Ned. betrekkingen: veranderingen/machtswissel/huwelijk met gevolgen voor het koningshuis, nazi-Duitsland, Europese samenwerking, etc.

Deze introductiefase kan zowel met de hele klas, in groepjes of afzonderlijk plaatsvinden

De docent noteert de resultaten op het bord en/of de leerlingen noteren de resultaten in hun schrift. Zij hebben deze nodig om later te kunnen vergelijken met de uit de teksten gehaalde gebeurtenissen die de Duits-Nederlandse relatie hebben beïnvloed. De aspecten die voornamelijk van toepassing zijn op de Duits-Nederlandse relatie kunnen door de docent en/of de leerlingen in kleur worden gemarkeerd.

3. Werk - en leerfase

Uitvoering:
De klas wordt in groepen van 6 ingedeeld. Elke groep krijgt een periode toegewezen. De groep leest de tekst en vult de tabel in. Teksten en tabellen worden door de docent uitgedeeld. Elke leerling krijgt zijn eigen tabel, aangezien de leerlingen deze nodig hebben voor opdracht 2.
Opmerking: De indeling van de perioden heeft in grote lijnen betrekking op de decennia sinds 1945. Sommige teksten beslaan echter een wat langere periode terwijl andere decennia nogmaals zijn onderverdeeld. Deze indeling zorgt ervoor dat alle groepen met dezelfde "inzet" werken en niet aan een decennium met veel meer/minder relevante gebeurtenissen hoeven te werken.

Opdracht 1
Leerdoelen:

  • De leerlingen benoemen en vergelijken concrete gebeurtenissen die de Duits-Nederlandse betrekkingen hebben beïnvloed.
  • De leerlingen kunnen enquêtes evalueren.
  • De leerlingen kunnen bepaalde informatie van een tekst navertellen.

Lees de tekst en vul de tabel voor jullie decennium in:

Gebeurtenissen: Benoem de gebeurtenissen die de Duits-Nederlandse relatie in jullie periode hebben beïnvloed. Markeer de gebeurtenissen die passen bij de aspecten die jullie aan het begin van de les hebben verzameld over de beïnvloeding van internationale betrekkingen.

Resultaten van enquête: vat de resultaten van de in de tekst genoemde enquêtes samen.

Karakterisering van de betrekkingen: Benoemt hoe de relatie in de tekst wordt beschreven of hoe Nederlanders denken over de Duitsers en hoe zij worden gekarakteriseerd.

Naam: Probeer jullie periode een naam te geven die de Duits-Nederlandse relatie van destijds samenvat. 

Binnen jullie groep kun jullie het werk verdelen, zodat sommige groepsleden de gebeurtenissen voor hun rekening nemen, anderen de peilingen, etc. Aan het eind kunnen jullie alles samenvoegen.
Let erop dat jullie als groep de tabel niet slechts één keer invullen, maar dat jullie elk een eigen werkblad gebruiken en ALLE kolommen daar invullen. Dat hebben jullie nodig voor opdracht 2.

 

Periode

Gebeurtenissen

Enquêteresultaten

Karakterisering van relatie

 

Naam

Eind jaren '40/'50

 

 

 

 

Jaren '60

 

 

 

 

Jaren '70/'80

 

 

 

 

Begin jaren '90

 

 

 

 

Eind jaren '90

 

 

 

 

Sinds 2000

 

 

 

 

 

Opdracht 2

Uitvoering:

De leerlingen worden opnieuw in groepen ingedeeld. Deze keer echter op zo'n manier dat er één "periode" per groep wordt vertegenwoordigd. Dit betekent dat er leerlingen uit verschillende periodes bij elkaar zitten en de groepen bestaan uit zes leerlingen. In deze groep informeren de leerlingen zich over hun periode zodat de andere leerlingen de tabel kunnen blijven invullen en dat uiteindelijk alle leerlingen een volledig ingevulde tabel voor zich hebben liggen.
 

Leerdoelen:

  • De leerlingen vatten de ontwikkeling van de Duits-Nederlandse betrekkingen na de Tweede Wereldoorlog samen.

In deze groep ben jij de expert op het gebied van jouw periode. Jij informeert de overige groepsleden over belangrijke gebeurtenissen, enquêteresultaten en hoe de toenmalige Duits-Nederlandse betrekkingen gekarakteriseerd kunnen worden. Bovendien vertel je de groep ook welke "naam" jullie hebben gekozen voor jullie periode en waarom jullie die naam hebben gekozen. Tegelijkertijd informeren de andere groepsleden je over hun periode. Voer deze informatie in je tabel in. Aan het eind heb je dus een volledig ingevulde tabel.

Opdracht 3

Uitvoering:

De leerlingen werken alleen (eventueel in tweetallen). Zij hebben voor deze opdracht een volledig ingevulde tabel nodig. Zij moeten opdracht 2 dus zorgvuldig hebben uitgevoerd. Met behulp van deze tabel vergelijken zij de gebeurtenissen van de afgelopen decennia en kunnen zij zo bepalen welke gebeurtenissen (bijv. politieke, maatschappelijke etc.) de relatie het meest hebben beïnvloed.

Leerdoelen:

  • De leerlingen vergelijken overeenkomsten en verschillen van historische feiten.

Vergelijk aan de hand van de volledig ingevulde tabel de gebeurtenissen die de Duits-Nederlandse relatie in de afgelopen decennia hebben beïnvloed.

4. Reflectie

Hier reflecteren de leerlingen op de kennis die is opgedaan met de opdrachten die zij hebben gemaakt. Er wordt gekeken of de leerdoelen zijn behaald.

  • De docent kan naar de namen vragen die de groepen aan de verschillende decennia hebben gegeven en ter discussie stellen.
  • De leerlingen dienen de ontwikkeling van de Duits-Nederlandse relatie sinds 1945 te beschrijven/samen te vatten.
  • De docent kan naar specifieke gebeurtenissen vragen en hoe deze de relatie hebben beïnvloed.
  • De docent kan zich afvragen waarom de Duits-Nederlandse relatie zo zeer wordt gevormd door het beeld van de Nederlander op de Duitser.

schema om in te vullen


Periode

Gebeurtenissen

Enquête

Typering betrekkingen

Naam

Eind jaren 40 en jaren 50

 

 

 

 

 

 

 

Jaren 60

 

 

 

 

 

 

 

Jaren 70/80

 

 

 

 

 

 

 

Begin jaren 90

 

 

 

 

 

 

 

Eind jaren 90

 

 

 

 

 

 

 

Sinds 2000